Bennie Holtrop: ,,In dit boek heb ik eindelijk
mijn verhaal kunnen vertellen’’ (Foto Dick Verton)
“Er is een stukje rust in mij gekomen”
De oorlog blijft voor Benny Holtrop voortduren
Door Els Siebers
HEERENVEEN - Het is inmiddels 63 jaar geleden dat Nederland werd bevrijd van de Duitse bezetters. Voor veel mensen een heugelijke dag. Voor anderen begon op 5 mei 1945 een nieuwe strijd. Een strijd die voor sommigen nog steeds voortduurt. Zij waren de kinderen van de verraders, de NSB’ers, de partij die tijdens de Tweede Wereldoorlog met de Duitsers samenwerkte.
Een van hen is Benny Holtrop (68). Hij was het kind van ‘foute ouders’. Na de bevrijding was de oorlog voor hem taboe. Er werd in het gezin Holtrop en door vele anderen nooit meer over gesproken. Het feit dat hij thuis nooit antwoord op zijn vragen kreeg, werd bepalend voor de rest van zijn leven.
Hier volgt het verhaal van Benny Holtrop (68) uit De Knipe
Holtrop werd in 1938 geboren in Joure waar hij tot zijn 21ste jaar bleef. Hij had een broer en vier zussen. Zijn ouders waren streng gereformeerd. “Mijn vader vond de wereld in de jaren dertig, de tijd van grote armoede, chaotisch. Hij was gezagsgetrouw, recht door zee en een man van zijn woord. Mijn vader werd lid van de NSB, omdat hij sympathiseerde met de ideeën van gezag, discipline en orde van die beweging. Mijn vader die uit een boerengezin kwam, zou aanvankelijk boer worden. Hoewel dat werk hem goed beviel, bleek het lichamelijk te zwaar voor hem Hij werd ziek en kreeg TBC. Hij besloot daarom een ander vak te leren: dat van onderwijzer. Tijdens de opleiding werd hij weer ziek en moest afhaken. Hij ging daarom in de jaren dertig de handel in met kantoorartikelen. In 1937 huurde hij een pand in het centrum van Joure en startte een kantoorboekhandel. Hij was ‘Deutschfreundlich’ en deed zaken met Duitsland. Hij verkocht onder andere Duitse tijdschriften. Hij ging trouw naar de bijeenkomsten van de NSB van het district Sevenwolden in Korte Hemmen.” Zijn moeder was het met de politieke keuze van haar man niet eens, maar zweeg. Er was door de handel met Duitsland brood op de plank. Zijn vader bewaarde thuis op zolder het zwarte uniform dat door NSB-ers werd gedragen, bijvoorbeeld tijdens de bijeenkomsten. “Mijn vader heeft dat thuis nooit aangehad. Hij was geen actief lid en heeft ook nooit mensen, zoals onderduikers aangegeven. Dat vond hij verraad. In 1941 wilde hij van de kantoorboekhandel een boekwinkel maken. Hij kreeg daar geen vergunning voor. Er waren namelijk al vier boekwinkels. De vergunning kwam er toch via de NSB.
Tijdens de oorlog was mijn vader mijn grote vriend. Ik mocht als klein jongetje vaak bij hem achterop de fiets mee naar de Duitse kazerne waar hij een Duitse vriend had. Na zo’n bezoek kregen we etenswaren en chocola mee. Ik vergezelde hem ook als hij tijdschriften naar leden van de NSB bracht. Kortom, de oorlog herinner ik me als een fijne tijd. Maar na de bevrijding, pakte alles heel anders uit. Op zondag 15 april werd Joure bevrijd. We zaten in de kerk toen er iemand binnenwam die luid riep: “De Canadezen komen eraan.” Iedereen stormde naar buiten, alleen wij niet. Mijn vader zei dat we moesten blijven zitten. Wij begrepen dat niet! Direct na de bevrijding werd hij opgehaald door de vader van een vriendje die het hoofd van de politie in Joure was. Hij heeft een aantal maanden gevangen gezeten in een bunker van een Duits kamp in Gaasterland. Omdat hij weer ziek werd, mocht hij eerder naar huis. De kerkelijke gemeenschap heeft ons toen en later door de moeilijke tijd geholpen. Mijn moeder kreeg hulp bij haar werkzaamheden in de winkel. Door de kerk hield mijn vader zijn klandizie. Het ‘foute’ verleden van mijn vader liep voor hem en voor ons min of meer met een sisser af. Er werd na de bevrijding in ons gezin nooit meer over de oorlog gesproken. Die tijd was en bleef taboe.
Onderhuids
Maar hoewel alles ogenschijnlijk normaal leek, werd Holtrop al snel geconfronteerd met vreemde, vaak onderhuidse dingen. “Ik mocht niet naar de Dodenherdenking op 4 mei. Op Koninginnedag werd mij door de onderwijzer te verstaan gegeven dat ik tijdens wedstrijden niet de eerste prijs mocht winnen. De winnaar liep altijd een ererondje met de Nederlandse vlag. Ik mocht niet bij een nieuw vriendje thuis komen. Ik vroeg mijn vader waarom dat zo ging. Ik kreeg nooit antwoord. Mijn vader werd boos op mij en keerde zich van mij af. Ik voelde dat hij fout was geweest in de oorlog, maar kon er niets mee. Ik voelde me steeds meer buitenstaander in het gezin. Ik wilde onderwijzer worden en ging naar de kweekschool. Hoewel ik een trouwe leerling was, spijbelde ik tijdens de geschiedenislessen over de oorlog. Ik had me voor dat onderwerp geheel afgesloten.” Holtrop werd onderwijzer in een dorp vlak bij Sneek waar hij met zijn vrouw ging wonen. In de avonduren studeerde hij Frans. Na vier jaar werd hij leraar Frans op h et Bogerman College in Sneek. Ieder jaar rond de meidagen was hij ziek. Hij voelde dat er een verband moest zijn tussen het ziek zijn en de oorlog.
Burn out
“De uitbarsting kwam in 1980. De school organiseerde toen in het kader van 25 jaar bevrijding een projectweek rond het thema Tweede Wereldoorlog. Toen ik met de leerlingen daarmee bezig was, kwam de geest uit de fles. Ik was totaal uitgeblust. Tegenwoordig heet dat ‘burn out’ en ik belandde via de huisarts bij de psychiater. Ik ging ervan uit dat het aan mijzelf lag, totdat ik de arts vertelde dat ik een kind van ‘foute ouders’ was. Dat verklaarde volgens hem alles. Mijn vader was inmiddels in 1975 gestorven. Ik heb nooit meer met hem en later ook niet met mijn moeder over de oorlog kunnen praten. Al snel werd de diagnose gesteld. Ik was arbeidsongeschikt en kwam in de WAO terecht. De leerlingen begrepen er niets van. Ik deed mijn werk namelijk met veel plezier. Pas na de dood van mijn moeder in 1989 heeft mijn oom het verhaal van mijn vader verteld. Op dat moment begon voor mij de verwerking van de oorlog. Ik had geen overzicht over de gebeurtenissen in mijn leven tijdens en na de oorlog. Het was chaos i n mijn hoofd. De dokter adviseerde mij, als een soort therapie, om de verhalen op te schrijven en ze zo te ordenen. Ik schreef al enige jaren poëzie.” Om de techniek van het schrijven onder de knie te krijgen, ging Holtrop in 1993 een schrijfcursus volgen bij de SLAH. In datzelfde jaar verscheen zijn prozadebuut, de autobiografische roman ‘In appel foarűnderweis’. Hij kreeg heel veel reacties op zijn boek. Niet alleen van lotgenoten die zich in zijn verhaal herkenden, maar ook van mensen waarvan de ouders in het verzet hadden gezeten. Na dit verhaal dat hem veel energie had gekost, kreeg hij een stuk rust in zijn leven terug. “Ik heb mijn verhaal verteld. De la is nu opgeruimd.”